Valentijnsdag

Ik tuur door fijngeknepen oogjes naar de digitale wekker op de grond naast m’n bed. Pfff, veel te vroeg nog. Door de brede gleuf aan de bovenkant van de gordijnen speelt het donkergrijs van buiten met het donker van de slaapkamer. De ochtend is nog niet bij machte de nacht van haar troon te stoten. Gelukkig maar. Blijf nog maar even weg dag, denk ik vermoeid, draai me om en val al snel weer in slaap.

valentijn

Angst

Mijn tante Mira pakt me bij de arm. Ze is veel groter dan ik. Gek. We staan bij de poort van mijn opa’s huis in Voganj. Dit zal altijd zijn huis blijven, zolang als het huis bestaat. Het is donker. Ik heb op de een of andere manier geen zin om mee te lopen. Ik ben bang. Ik begrijp het niet. Iemand probeert ons tegen te houden, maar een opmerking van mijn tante doet de grote man terugdeinzen. Ik loop door de tuin richting het geliefde baksteen. Hier in dit huis heb ik de eerste vier jaar van mijn leven doorgebracht. Mijn brein zit vol fijne herinneringen aan dit stukje aarde. Hier heb ik niets dan liefde gekend. Waarom ben ik nu zo bang dan? Mira duwt me een kamer in. Zacht, maar resoluut. Zelf gaat ze niet naar binnen. Daar ligt mijn opa. Opa Svetozar. Op een bed midden in de kamer. Hij is zwak, kan niet meer opstaan. Hij draagt donkere kleren, net als ik. Net als de nacht buiten. Een zwak lichtje verlicht zijn kamer. Als ik hem zie, valt mijn angst van me af en ik storm op hem af.

Opa

Mijn opa is stervende; ik ben bij hem. Niemand anders. Ik druk mijn gezicht tegen zijn borst, zoals ik deed toen ik een klein ventje was. In zijn handen vond ik altijd troost. Nu probeer ik hem te troosten, maar ook nu legt hij verzwakt als hij is, zijn grote hand op mijn kruin. Ik begin te huilen als een malle. Ik druk mijn wang tegen zijn borst alsof ik in hem wil kruipen. Hem nooit meer los wil laten. Hij is me al eens eerder ontnomen. Door de verhuizing naar Nederland, door de oorlog… Nu sta ik dat niet meer toe. Ik luister naar het zwakke kloppen van zijn hart. Het geluid stemt me enigszins rustig. Dan hoor ik dat het steeds zwakker wordt. Ik wil vechten tegen de zwakte die zich meester van hem maakt; ik wil mijn opa helpen, maar kan niets doen. Niets dan luisteren naar het langzaam wijken van het leven. Niets dan huilen. Opa sluit zijn ogen, zijn hand blijft rusten op mijn gezicht. Het kloppen stopt. Ik schreeuw… Een zacht muziekje trekt mijn aandacht. Vanuit de verte. Ik word weggetrokken van mijn opa, tegen mijn zin in. Mijn vingers glijden van zijn lichaam, langs de gele, harige deken… Langzaam open ik mijn ogen, tranen stromen nog steeds over mijn wangen. Mijn lichaam is moe, geest nog vermoeider. De wekker van de telefoon heeft hem aan de haak geslagen en trekt hem langzaam binnenboord. Naar het nu; naar het schemerlicht van de kamer; weg van de droom.

Liefde

Mijn opa is voor de tweede keer gestorven. Bijna een kwart eeuw na zijn dood ben ik hem opnieuw verloren. Ik sta op, verdoofd. Mijn hoofd is nog steeds twee duizend kilometer verderop, mijn onderstel loopt op de automatische piloot de trap af. Als de jongens kort na elkaar beneden komen, staat de pap al klaar. Het theewater beleeft een luidruchtig hoogtepunt. Dario merkt de tranen in mijn ogen op. “Wat is er, pap?”

Ik vertel hem over mijn droom, over mijn lieve opa. Over het feit dat ik niet bij hem was toen hij overleed. Terwijl ik praat, merk ik na al die jaren een immens gemis. Het gemis van de trooster, mijn lichtje in het duister. Dario luistert aandachtig, wijs zoals alleen kinderen dat kunnen. En antwoordt dan: “Niet gek dat je net over hem droomde, pap, want het is Valentijnsdag vandaag.” Ik ben verbaasd, dan alleen nog maar verheugd. Op de dag waarop de liefde gevierd wordt, waren wij weer even bij elkaar. Net als vroeger. In dit ‘even’ rust zijn grote, zachte hand nog steeds op mijn kruin. Uit dit ‘even’ put ik weer kracht als ooit uit het blauw van zijn ogen. In dit ‘even’ komen we weer samen. In dit korte moment past alle tijd van de wereld. Alle leed wordt weggevaagd alsof het nooit is gebeurd. Dit ‘even’ overspoeld door een enorme tsunami, meegesleurd en badend in een grote, onzichtbare zee. Die zee die ik bij gebrek aan een beter woord, enkel kan voelen als… liefde. Van alle namen is zij de mooiste, van alle gevoelens de krachtigste, van alle woorden de meest tot de verbeelding sprekende. Liefde… Wat moet ik toch zonder jou?


Mario Borzić is auteur van ‘Leven als dit‘ en ‘Uit ‘t Hart‘. Recent kwam zijn boek ‘Rauw‘ uit.

Deel dit met anderen...

Deel op facebook Deel op twitter Deel op linkedin Deel op Pinterest Deel op google+ Email

, , ,

Er is nog geen reactie geplaatst. Ben jij de eerste?

Geef een reactie